Boekgegevens
Titel: Katechismus des Bijbels, dat is: Eene korte en duidelijke onderwijzing aangaande den inhoud der Heilige Schrift: ten gebruike voor de christelijke jeugd
Auteur: Krummacher, F.A.; Wolterbeek, J.L.
Uitgave: Amsterdam: Johannes van der Hey, 1814
Opmerking: Vert. van: Bibelkatechismus. - 1810
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 677 K 37
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206135
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: algemeen, Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Catechismussen, Teksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Katechismus des Bijbels, dat is: Eene korte en duidelijke onderwijzing aangaande den inhoud der Heilige Schrift: ten gebruike voor de christelijke jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Het Nieuws Testamentt gr
van God, deels naar zijne 7nenfche'i;ke ratuur als
een menfchen - zoon.
V. Hoe naar zijne goddelijke natuur?
A. Als den van den Vader gezondenen Heiland
en Verlosfer der menfchen, die één met den Vader
is, in den beginne bij God was, maar de menfche-
lijke natuur heeft aangenomen.
V. Hoe wordt hij naar zijne menfchelijke natuur
voorgefleld?
A. Als een mensch , die ons in alles is gelijk ge-
worden, doch zonder zonden; en als het volmaaktfte
voorbeeld van heiligheid en deugd.
V. Scheiden dan de Evangelisten het een en-
ander van elkander?
A. Neen. Zij verhalen eenvoudig en onopge-
fmukt, wat zij aan Jezus Christus hebben opgemerkt.
Zij willen hem roemen noch prijzen, maar flechts
opgeven, hoe hij hun toefcheen.
V. Hoe moet men de evangelifche gefchiedenis
befchouwen ?
A. Als de grondflag van dat geen, hetwelk de
Apostelen naderhand juister leerden kennen, en in
hunne redenen en brieven duidelijker voorflelden.
wy kunnen Gods wezen niet begrlfpen. i 7im,
VI; 16. — Wij kunnen het verband tusfchen ligchaam
en ziel niet verklaren, en hoeveel minder dan de ver-
eeniging tusfchen God en Jezus Christus! — Hij
heet in de H. Schrift: ,, De eengehoren zoon van
God, — het woord, dat hij God was, — het ajfchijn'
Jel van ^s Vaders heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld
zijner zelfflandigheid: — Middelaar tusfthen God en
menfchen, Joann. J: I—13 Matth. XVi: n—17.
Phil. II: s-n. X Joann. IV: 9. I Tim. II: 5.
dT
■C.