Boekgegevens
Titel: Katechismus des Bijbels, dat is: Eene korte en duidelijke onderwijzing aangaande den inhoud der Heilige Schrift: ten gebruike voor de christelijke jeugd
Auteur: Krummacher, F.A.; Wolterbeek, J.L.
Uitgave: Amsterdam: Johannes van der Hey, 1814
Opmerking: Vert. van: Bibelkatechismus. - 1810
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 677 K 37
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206135
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: algemeen, Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Catechismussen, Teksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Katechismus des Bijbels, dat is: Eene korte en duidelijke onderwijzing aangaande den inhoud der Heilige Schrift: ten gebruike voor de christelijke jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Gejchtedhoehn des O. V,
29
koning. Ja zelfs kwamen er vele heidenen naar Jeru-
falem , en bedreven daar afgoderij»
V. Liet Salomo dit toe?
A. Ja. Hij had vele uitlanders en heidenfche
vrouwen aan zifn hof, 'en ruimde daarvoor hoogten
in, om den Moloch en andere afgoden te offeren;
ja zelfs liet hij zich vervoeren, dat hij ook zijn
hart van God aftrok en tot vreemde goden wendde,
en deed, wat boos was in Gods oogen.
V. VVat was het gevolg van deze misitappen van
Salomo?
A. Gelijk altijd, God trok de hand van
liem af, hij kreeg vele vijanden, er kwam oproer in
zijn rijk, en Salomo had veel onrust in den laatltcu
lijd zijner regering tol aan zijnen dood toe.
Als des menfchen wijsheid niet op het kemelfche
gerigt IS, maar alleen zich tot het aardfche bepaalt,
dan is zij dwaasheid. —. Toen Salomo den tempel
inwijdde, was hij vroom en ootmoedig, maar zijn
rijkdom, zijne hofhouding, zijn gezelfchap verdierven
zijn hart. — De afgoderij is Gode een gruwel, want
zij vervoert den mensch, even als alle bedrog, tot
fchandeiijke daden, — Aan den Moloch , een metalen
afgodsbeeld offerde men zijne kinderen op eu liet ze
verbranden. — Eer Salomo llierf, zag hij het leven-
dig in, hoe al het aardfche ijdelheid ware. — Alle
aardfche pracht is niet te vergelijken met de fchoon-
lieid van Gods werken in de fchepping. — De pracht
der menfchen vergaat, maar de fchoonheid der natuur
blijft, en keert altijd weder. — De leliën des velds
(zeide Jezus te regt) zijn veel fchooner opgeGerd ,tdaii
üalomo in alle zijne heerlijkheid. —
18.