Boekgegevens
Titel: Katechismus des Bijbels, dat is: Eene korte en duidelijke onderwijzing aangaande den inhoud der Heilige Schrift: ten gebruike voor de christelijke jeugd
Auteur: Krummacher, F.A.; Wolterbeek, J.L.
Uitgave: Amsterdam: Johannes van der Hey, 1814
Opmerking: Vert. van: Bibelkatechismus. - 1810
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 677 K 37
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206135
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: algemeen, Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Catechismussen, Teksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Katechismus des Bijbels, dat is: Eene korte en duidelijke onderwijzing aangaande den inhoud der Heilige Schrift: ten gebruike voor de christelijke jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Gejchiedboehen des O. P'»
13
geheel en al, en maakt hem affehuwelijk; zij baart
angst voor God, een knagend geweten, onrust en
vrees; zij onderdrukt het goddelijke in den mensch. —i
Het leven is niet het hoogfte goed, maar de zonde
is het hoogfle kwaad. — God liet dat menfchen-ge-
flacht vergaan, gelijk men een' kwaden boom uitroeit,
die geene vrucht meer draagt. — De eerfte gefchie-
denis fpreekt van God in menfchelijke wdorden en
beelden, welke men overeenkomftig met Gods hoogheid
verdaan moet. God toch fpreekt, vertoornt zich niett
heeft geen berouw op eene menfchelijke wijze; maar
de nijbel Tpreekt zoo van GoJ in de menfchelijke
taal, omda: hij tot menfchen fpreekt.
V. Waar woonden de eerRe menfchen?
A. In dat werelddeel, hetwelk wij ^zl'ê noe-
men. — Dit is het fchoonde , vruchtbaarrte en
hoogfie deel van onze aarde, en daarom noemde men
hetzelve ook de y/ieg van het menschdom.
V. Hebben zich de menfchen dan van hier over
de aarde verbreid?
A. Ja, uit Azië is het overig gedeelte der we-
reld bevolkt geworden; zelfs vele onzer vruchten en
vruchtboomen ftammen van daar af.
V. Hoe hebben zicli de menfchen uitgebreid?
A. Noashs zonen héétten Sem, Cham en Japhèi.
God befchikte het, dat zij en hunne nakomelingen
zich verllrooiden en uitbreidden ; maar de H. Schrift
verhaalt daar weinig van. Meer meldt zij ons van
het Hebreeuvvfche volk, of het volk van Israël,
V. Waarom juist van dit volk.^
A. Wijl het bdlemd was van God, om het^«-
loof in éénen God ongefchonden te bewaren, en
daardoor eenmaal het zout der aarde te worden.
V, Waar-