Boekgegevens
Titel: Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 10: 5
Auteur: Buijs, Johannes
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange
Groningen: J. Oomkens en zoon, 1818
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 435 : 10 (5)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206108
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
U W 1 k N
ligchaam langs de helling heeft afgelegd, terwij!
een ander ligchaam vrijelijk de hoogte der helling
valt, overeenkomen met eene halve fchomEneling
van den flinger, en de hoogte der helling met twee-
maal de lengte des flingers.
S- 38.
Omdat een ligchaam , dat flingert, eenen zekeren
tijd hefteed hebbende, om eene halve fchommeling
te volbrengen, weder denzelfdea tijd befteedt, om
weder op te klimmen, zoo kan men cte geheele
fchommeling vergelijken bij een ligchaam , dat twee
tijden valt, ea dus viermaal den weg aflegt als in den
eerften tijd; waarom dan ook een flinger eene gehee-
le fchommeling zal volbrengen , terwiji een ligchaam
vrijelijk valt, byna achtmaal de lengte des flingers.
S- 39.
Wanneer de flinger, die in eenen cirkelboog be-
weegt , langs eene regte helling liep, zoude de
geheele fciiomraeling gefchieden terwijl een ligchaam
acht malen de lengte des flingers vrijelijk viel; maar
daar hij zich nu in eenen boog beweegt, gefchiedt
de beweging fpoedi^er, en wel als 11 tot 14 : zoo-
dat wanneer een flinger berekend wordt, naar de
regte lijn, of koorde van den flingerboog om ïh
ééne feconde eene geheele fchommeling te moeten
volbrengen, hij deze fchommeling in JJ- deel van
eene lèconde doen zaj.
§> 40.
Om nu eenen flinger fe vervaardigen, die b. v.
eene geheele fchommeling zal doen in ééne feconde,
behoeft men flechts J deel te nemen van den weg
welke een ligchaam, vrij vallende, in de eerfte fe-
conde aflegt, en dan terug te brengen tot den cir-
kelboog naar de evenredigheid van de vorige J. Stel
óat een ligchaam in ééne fecoifde v»lt ter hoogte
van