Boekgegevens
Titel: Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 10: 5
Auteur: Buijs, Johannes
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange
Groningen: J. Oomkens en zoon, 1818
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 435 : 10 (5)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206108
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
NATUURKUNDE. 33
lange fnavels. De mensch heeft tanden, om af
te bijten, en kiezen, om fijn te malen ,en behoort
dus onder de dieren, die groenten en vleesch eten.
S' 91.
De wijze waarop de dieren, inzonderheid de
mensch, gevoed worden is aldus: «adat de fpijzen
in den mond door kiezen en tanden fijn gemaakt
en met fpeekfel vermengd zijn, gaan zij door dea
flokdarra naar de maag, alwaar zij met de maagfap-
pen vermengd, als tot eene pap bereid worden; in
dezelve genoegzaam vertoefd hebbende, ftort de
maag deze, dus bereide, pap, door eene andere ope-
ning , uit in de darmen, waarbij dan nog de gal komt,
noodig om het voedfel geheel ter voeding gefchikt te
maken: deze darmen, bij den mensch zes malen
zoo lang als hij zelf is, liggen in den buik rondge-
flingerd, en dienen om het voedfel door dezelve
langzaam te doen gaan; opdat de vezeltjes of
vaatjes, welke zich, bij menigte, in dezelve be-
vinden, den tijd hebben om uit deze vosdfelpap
de voedingsfappen te trekken, even als de wor-
tels van de planten zulks uit de aarde doen.
Dit uitgetrokken voedfel {chi/l genaamd) bijeen
vergaderd, klimt langs de ruggegraat op en Hort
zich bij het hart in het bloed : het hart heeft
twee holligheden, eeoe regter- en eene linker; het
voedfel, in het bloed geftort, komt eerst in de reg«
ter- holligheid van het hart, gaat van daar in de
longen, alwaar het met de lucht (zoo noodzakelijk:
tot onderhoud van het leven ) verbonden wordt;
keert dan weder terug in de linker- holligheid van
het hart, en wordt daaruit door het geheele ligchaam
henen, door middel van flagaderen en aderen, om
hetzelve te voeden, voortgeftuuwd, totdat het, den
geheelen omloop door het liechaara volbragthïbben-
C de,