Boekgegevens
Titel: Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 10: 5
Auteur: Buijs, Johannes
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange
Groningen: J. Oomkens en zoon, 1818
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 435 : 10 (5)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206108
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
3» 6K.0NDBIf DBK
S» Visfchen, zoo als baars, voorn, kabeljaauw^
fchelnsch, enz. die door kieuwen en niet
door longen ademen.
4. Twetflachtige of dieren van beiderlei leven
(amphibiën ), zoo als de fchildpad, de kro-
kodil, de kikvorsck, de flang, enz. die door
longen ademen.
5. Vogels, zoo als hoenders, musfehtn, vinken,
zwanen, enz. die eijereu leggen en vederen
hebben.
6. Zotgdieren, zoo als apen, paarden, kteijen,
honden, katten, beeren, walvisfchen, enz. de-
ze brengen levende jongen ter wereld, die
aan de borsten der moeder gezoogd worden.
In deze klisfe (laat de mensch, als zooda*
nig, aan het hoofd.
Van deze hebben de wormen en infekten geen
rood bloed, maar een witachtig vocht.
De visfchen en amphibiëa hebben rood bloed,
doch hetzelve is koud.
De vogels en de zoogdieren hebben allen warm,
rood bloed.
S. 90.
De dieren, van de aarde los, verkrijgen op
eene geheel andere wyze dan de planten hun
voedfel. Door honger en dorst gedreven, nemen
zij het voedfel tot zich, door den mond, welke
zoodanig gefchikt is, als de aard van hun voed'
fel vereischt, zoodat fommige dieren, welke niet
noodig hebben hun voedfel af te bijten, alleen
van kiezen ter fijnmaling; anderen, die van den
roof leven, van groote fcherpe tanden, klaau-
wen en kromme fcherpe bekken voorzien zijn.
De graanetende vogelen hebben meestal kleine kor-
*e nebben, in gedaante, echter, zeer onderfchei-
den; en dezulken, die wormen en visfchen etea,
lan-