Boekgegevens
Titel: Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 10: 5
Auteur: Buijs, Johannes
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange
Groningen: J. Oomkens en zoon, 1818
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 435 : 10 (5)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206108
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
150 ORONDEN DER.
plaats doen te zamen komen; deze glazen In een
toeftel bijeen j noemt men Brillen.
(troeven met bolle en holle glazen.)
§.360.
Naar mate de voorwerpen verder van het oog af-
ftaan, worden de beelden op het netvlies kleiner,
en wel zoodanig, dat, wat hunne hoogte of breedte
betreft, zulks gefchiedt in rede van de enkele af-
ftanden, en wat hun vlak of geheel beeld zelf
aangaat, als de vierkanten der afftanden van het
oog; zoodat een ligchaam zich meer en meer ver-
groot vertoont, naar mate hetzelve nader bij ,het
oog gehouden wordt; dan daar men bij een wet-
gefteld oog de voorwerpen, om duidelijk te zien,
n'et nader bij het oog kan houden, dan zeven of
acht duimen, zoo moet men een bol glas voor het
oog plaatfen, om dezelve, nader bij het oog, fcherp
te kunnen zien, en zie daar dan de werking van het
Vergrootglas, en der vergrooting.
(^Proeven met een Vergroot- of bol glas.)
361.
Om wel en duidelijk re zien, moet men niet al-
leen het voorwerp op eenen gefchikten afftand van
het oog plaatfen, maar het moei ook behoorlijk ver-
licht zijn; dat is, er moeten zoo vele lichtllralen
op het voorwerp vallen, als het beeld op het net-
vlcs noodig heeft, om den vereischten indruk te
maken: want, te veel ofte weinig licht is vermoeijend,
en dus nadeelig voor de oogen, omdat, in het eer-
fte geval, de regenboog des oogs zich te veel in-
krimpt, en in het laatfte zich teveel moet uitzetten.
S- 362.
Het is vermoeijend en zeer nadeelig voor het ge-
zig', hetzelve in het zien fterk te vergen, door
ian eens van zeer nabij, en dau weder op verren
af-