Boekgegevens
Titel: Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 10: 5
Auteur: Buijs, Johannes
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange
Groningen: J. Oomkens en zoon, 1818
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 435 : 10 (5)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206108
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
W A T ü Ü R K ü N D 3E. 13!
naar het Noorden, en de Zuidpool genoegzaam
naar het Zuiden wijst.
(.Proeven met magneetnaalden op [pilletjes rond
te draaijen.)
s- 305.
Aan deze zoo even S* 304« genoeth.de eigen-
fchap hebben wij het kompas te danken, als be-
flaande uit eene op den magneet geftrekene naald ,
welke met de minstmogelijke wrijving op een fpil-
letje of pennetje rond beweegt, fomtijds aan een
bordpapier vastgehecht, waarop de twee en dertig
windftreken geteekend (laan ; dan daar 304.
wel gezegd wordt, dat de magneetïlaaf met hard
polen naar bepaalde punten des hemels wijst,
raaar niet volkomen naar het ware Noorden en
Zuiden, zoo heeft er bij de ftreek van de kom-
pasnaald een verfchil plaats met hetgene wij on-
zen meridiaan of ware Noorden en Zuiden noemen,
en dit verfchil noemt men declinatie of afwij-
king der magneetnaald. De zeelieden noemen dit
miswijzing. Deze miswijzing is niet altijd eveneens
en dezelfde, maar gaat dan eens eenigen tijd Wes-
telijk voort, en keert dan weder terug. Dezelve is
thans twee en twintig graden Westelijk, doch
fchijnt weder naar het Noorden terug te keeren.
( Proef met dit op een Kompas aan tc toonen. )
S' 30Ö.
De liin, welke door de kompasnaald als Noor-
den en Zuiden wordt aangewezen , doch het wa-
re Noorden en Zuiden niet is, (§. 305.) noemt
men den magnetifchen Meridiaan, en die, welke
er dwars regthoekig doorloopt, dat is, Oost en
West, h«et magnetifche Equator,
la S' 307»