Boekgegevens
Titel: Verbeterde bestiering voor de stuurlieden in de Noordzee en derzelve havens en zeegaten: geschreeven ten geleide voor de nieuwe kaart van de Noordzee, van Londen tot de eilanden van Hitland en van Calais tot Schaagen en Christiania: tezamengesteld uit de echte opnemingen en navorschingen van den admiraal Knight, & c. 1817, waarin nog gevoegd zijn: verbeterde aanwijzingen wegens de vuuren van de Duitsche, als mede ook die der Noordsche kusten en de havens van Noorwegen: overgenomen uit de beste schrijvers en opnemingen in de laatste tijden, gedaan en publiek gemaakt ten nutte der zeevarenden
Auteur: Knight, John; Asmus, J.P.
Uitgave: Amsterdam: J.M. Kleman en zoon, 1817
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-624
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206094
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de wereldzeeën
Trefwoord: Zeekaarten, Stuurlieden, Noordzee, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verbeterde bestiering voor de stuurlieden in de Noordzee en derzelve havens en zeegaten: geschreeven ten geleide voor de nieuwe kaart van de Noordzee, van Londen tot de eilanden van Hitland en van Calais tot Schaagen en Christiania: tezamengesteld uit de echte opnemingen en navorschingen van den admiraal Knight, & c. 1817, waarin nog gevoegd zijn: verbeterde aanwijzingen wegens de vuuren van de Duitsche, als mede ook die der Noordsche kusten en de havens van Noorwegen: overgenomen uit de beste schrijvers en opnemingen in de laatste tijden, gedaan en publiek gemaakt ten nutte der zeevarenden
Vorige scan Volgende scanScanned page
10 DE LOOP DER TIJEN EN STROOMEN.
De beweging in het water, zoo bij rijzing als bij daling, als ook de fnelheid en traag-
heid in den loop der flroom, begint van he: eerste tot het vierde uur, en van het vierde
tot het laatste uur vermindert den aandrang-, echter kan zulks verfchillen door den in-
vloed der winden op dezelven.
Men heeft het hoogde Spring en het laagUe Doodtij gemenelijk den vierden dag der
Maansverandering: ook hier in heeft de wind grootelijks deel, alzoo Westelijke en Zuid-
westelijke winden hooge Vloeden en laage Ebben geven, zoo geven de N. O. en Noord-
lijke tt'inden het tegendeel, als aan de rijzing van het water hinderlijk zijt-:de.
In de Orkneij-Eilanden en N. O. Kust van Schotland, zoo de Vloed hoger rijst dan ge-
woonlijk, door den invloed der winden op dezelve, komt de daar op volgende Ebbe
niet op zijne gewone laagte, die dezelve gehad moesten hebben. Zo de Vloed, door de
gewone invloed der Maan alleen, de hoogte heeft verkregen, dan loopt de volgende Ebbe
ook laag af.
Bij geaoone Springtijen rijst het water niet m.eer dan agt voeten, (perpendiculair,) of
loodrecht, en bij gewone doode Tijen drie en een halve voet-,bij ongemeene hooge Springtijen
rijst het water veertien voeten, bij ongemeene zwakke Springvloeden rijst het water vijf voe-
ten, bij ongemeene hooge doode Tijen rijst het water zes voeten, en bij ongemeene zwakke
doode Tijen rijst hetzelve niet boven de twee voeten ; zoo dat tusfchen de rijzing en da-
ling zeer veel ongelijkheid word gevonden, waardoor er een lange eu moeijelijke waarneming
noodig is, om met zekerheid vast te Hellen, welke de algemeene regel hier van is.
Als de Stroom of Tijloop belëtfelen vind, door het land, of rotzen, of door een naauw
Kanaal, in zijn loop wordt bepaald, of in een diepe inlopende arm van de zee, die lang-
zamerhand vernaauwt, rijst het water aldaar tot een meerdere hoogte als in de naburige
plaatzen, alwaar het door geen tegeniland word opgezet. Als een Kanaal of Zeeboezem
onderfcheidene bogten of zakken beeft, zoo als die op de Rivier de Thames genaamd wor-
den, alsdan zal in de bovenfte geen ongemeene rijzing zijn.
De voorgaande bijzondere aanmerkingen op de rijzing en daling van het Tij zijnde ,
zoo is de volgende de bijzondere verandering in de werking der Stroomen,
Bij de Kust van Orkneij en de groote Eilanden van Hitland, komt de Vloed uit den
Noordwesten, twee Engelfche Zeemijlen van de wal; op de ruimte is de ftroom naauwe-
lijks zichtbaar, ten zij dezelve door landengtens bepaal.d, en door rotzen, die vijf vadem
onder water liggen,in haren loop geftremd wordt;in zulke ftreeken is de ftroom merkbaarder,
dan langs een opene cn regelmatige landftrekking, alwaar de loop van het water geene
hindernis ontmoet.
Als het water aan de wal begint te rijzen of te dalen , neemt de ftroom ter zelver tijd
een andere wending, in een tegengeftelde richting, als alleen de eenige irreguliere daar
van uitgezondert.
De Stroom of Tijloop verandert haren loop vroeger aan de wal dan op een afftand van
dezelve, en wel zoo veel,dat op twee h drie Engelfche Mijlen afftand van 't land,de wen-
ding der Stroom twee uren, en meer, later plaats heeft, dan aan de naastbijzijnde wal, en
na de evenredigheid der tusfchenftanden , geeft ook het verfchil des tijds, in de wending^
van de Stroom; —alhier zal een Schip een gunstige Stroom hebben ,ferwijl een ander Schip,
van de wal verwijdert, met een tegenftroom te worstelen heeft, en alzoo voor en tegen;
en deze tegengeftelde Stroomen zijn in een naauw Kanaal al vrij gevoelig.
- Gedurende de Vloed is de loop der Stroom, in deszelfs richting, zeer veranderlijk, traps-
gewijze van het Oosten naar het Zuiden, en weder in het tegendeel, bij Ebbe, zijn loop
veranderende van het Westen naar het Noorden; dat is, als den Stroom zijn loop naauwe-
lijks merkbaar is, loopt hij Oostwaards, en in fnelheid en kragt toenemende , zijn richting
■ naar