Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
SPRAAKKUNST. 3^7
ymhij sfteU, en niets, dan eene ledige plaats achter'
laat', even zoo ijlen de oogenhlikken onzes levens heen,
en voeren, in hunne rlugt, het goede en kwade dezer
wereld met zich.
a85. Het spreekt van zelf , dat de perioden lig-
telijk te lang zijn, en uit te veel leden bestaan kuti-
nen, dewijl daardoor het oor van den lezer of hoor-
der ovetladen, en zijne aandacht vermoeid wordt.
Door de opeenstapeling van fwfeschenzinnen geraakt
men buiten staat, om het verband der enkele deden
wel te begrijpen, en het geheel in eens over te zien,
bij voorbeeld: het is niet verstandig gehandeld, dt
meeningen van die genen, die, in vervolg van tijd,
zoo dikwerf hunne eigene stellingen en gedachten ver-
anderden, hunne vorige bewijzen verwierpen, en dut
door hunne onbestendigheid, door hunne strijdigheid
met zich zeiven, duidelijk genoeg toonden, dat zij niet
altijd met genoegzame overtuiging ijverden, niet altijd
de waarheid voorstonden, maar zelfs, volgens hunne
eigene belijdenis, somwijlen de dwaling openlijk ver-
dedigden, als volkomen zeker blindelings aan te ne-
men. Om gemakkelijk uitgesproken, en beter ver-
staan te kunnen worden, moest deze periode dus
gesteld geweest zijn: het is niet verstandig gehan-
deld, de meeningen van die genen als volkomen zeker
blindelings aan te nemen, die, in vervolg van tijd,
zoo dikwerf hunne eigene stellingen en gedachten ver-
anderden en hunne vorige bewijzen verwierpen: zij
toonden, door hunne onbestendigheid, door hunne strij-
digheid met zich zeken, duidelijk genoeg, dat zij
niet