Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
spraakkunst. 307
257. Men tnerUe hierbij op, dat, zoo dik-
werf eenig oeei der rede in de plaats van het on-
derwerp treedt, de eerste naamval, of het eigen-
lijke onderwerp , even als bij de vragende woord-
schkking, terstond op het werkwoord volgt,
waartoe het behoort. Op zulk eene wijs kunnen
in de plaats van het onderwerp gesteld worden:
1. Een bijwoord, hetzij een eigenlijk bijwoord,
hetzij een jbijvoegcUjk naamwoord, of deelwoord,
als bijwoord gebezigd, bij voorbeeld: nog altoos
spreekt gij van eene zaak, wtlke reeds lang verge-
ten moest zijn. Gevaarlijk zijn zij, die alles op-
merken en zelden spreken. Dreigend was zijne how
ding, toen hij dit zeidc. Uw is het rijk; ons is
de bezitting.
2. De onbepaalde wijs van een werkwoord, wel-
ke anders achter een ander werkwoord komt, waar-
mede zij verbonden is, als; graven kan ik niet;
stelen mag ik niet; bcdehn wil ik niet. Bij twee
onbepaalde wijzen zou dcze omzetting te Lard
zijn. Men zegt, bij voorbeeld, niet: zeggen hadt
gij het moeten, ook niet: moeten zeggen, of zeg-
gen moeten hadt gij het; maar: gij hadt het moe-
ten zeggen. Bij drie onbepaalde wijzen kan dezel-
ve volstrekt niet plaats grijpen. Men zegge der-
halve: gij hadt het mij moeten laten weten.
3. De naamval, welke door het werkwoord be-
heerscht wordt, als: zijn gansche rijkdom is ee?>e
schamele hut; zulk eene rust geniet de stervende
V 2 on-