Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
220 (nederduitsche
wea daarvan'? Sneeuwt 'het? enz.; als ook mat
vraagwoorden, het zij dan bijwoorden, het zij
voornaamwoorden, welke met alle hnnne bepalin-
gen vonr het werkwoord komen: waar zullen wij
hem vinden ? IVat gaat gij doen ? Welk eenen langen
brief hebt gij geschreven? IFat voor eene misdaad
hebt gij begaan? Alwaar wat voor liefst vereenigd
blijft; derhalve niet: wat hebt gij voor eene misdaad
begaant
247. Ir hoe het vraagwoord, dan volgt daar-
op onmiddellijk het bijwoord: hoe dikwerf zijt gij
van daag reeds hier geweest? Hoe veel geeft gif daar-
voor? Herhaalt men de woorden van een' ander,
dan geschiedt dit met de verhalende woordschik-
king, en de toon der stem alleen moet de vraag
aanduiden: hoe! hij heeft het gedaan? Ik zou het u
gezegd hebben ?
248. Wanneer men iemand iets beveelt, ver-
zoekt, en tot iets aanzet, of opwekt, en dit in de
gebiedende wijs der werkwoorden geschiedt, terwijl
het onderwerp der rede een voornaamwoord is:
zeg gij hef, laat ons gaan, Is het onderwerp der
rede, of de naam vao het aangesprokene voor-
werp, een zelfstandig naamwoord, dan kan hetzel-
ve van voren, in het midden, of aan het einde
staan: 0 God, wees mij armen zondaar genadig!
of: wees, 0 God, mij armen enz., of: wees mij
armen zondaar genadig, 0 God! Doch wordt het
aangesprokene voorwerp omschreven, dan staat het
best