Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
ö58 nederduitsche
achteraan zelfstandige naamwoorden, persoonlijke
voornaamwoorden, bijwoorden, en andere voorzet-
selen gevoegd, als halve: gewetenshalve, vriend-
schapshalve\ wege: ambtswege, fligtswege. Zoo ook
waart, of waarts, dat eene beweging naar eene
plaats beteekent, als: stadwaarts, dat is naar de
stad ; landwaarts, nederwaarts , oostwaarts, op-
waarts, mijwaarts, enz.
207. Ten aanzien van het voorzetsel te moe-
ten wij nog aanmerken, dat hetzelve bij sommige
zelfstandige naamwoorden gevoegd wordt, welke,
op zich zeiven, of met een bijvoegelijk naam-
woord , daardoor eene soort van bijwoorden wor-
den , bij voorbeeld, te moede : hoe was hij te moede ?
Blijd, droef te moede zijn enz. Het eertijds ge-
bruikelijke te vrede heeft reeds geheel de natuur
van een bijvoegelijk naamwoord aangenomen , waar-
om het voorzetsel met het zelfstandige naamwoord
vereenigd, en het woord tevrede , of liever tevre-
den , dient geschreven te worden; derhalve een
tevreden mensch, niet: een te vrede memch, devyijl
dit te vrede zelfs de gedaante van een bijvoegelijk
naamwoord niet heeft; zoo ook ontevreden, niet
on te vrede, noch te onvrede. Zie ook D. 1., bl.
41, in de aanteekening.
I. OVER OE VOEGWOORDEN,
208. Over den aard der voegwoorden, en over
de wijs, waarop, door.middel van dezelye, de
eene