Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
aSo
«98, nederduitsche
voegelijke naamwoorden geplaatst, is zoo veel als
yoti allen. De allerbesie, de allergrootste is der«
halve de beste, dé grootste van allen. Doch
hierbij dient aangemerkt te worden, dat wel van
twee personen, of zaken, een de beste, de groot-
ste enz., maar niet At allerbeste, allergrootste,
enz., kan wezen. Wanneer wij aller bij den over-
treiFenden trap gebruiken, dan móeten vele perso-
nen, of zaken (^tcn minste drie), voorhanden zijn,
van welke allen een de beste, grootste, enz., en
dus de allerbeste, allergrootste is. (♦j
193. De telwoorden, met het woord half,
Aa/vc, zamengesteld, hebben, schoon zij altoos
meer dan een aanduiden, een zelfstandig naam-
woord in het enkelvoudige getal bij zich, alss
anderhalf, dtrdhalf jaar; in vierdhalven dag , enz.
G. OVER DE BIJWOORDEN.
194. Daar de bijwoorden, eigenlijk, tot de
werkwoorden, en niet onmiddellijk tot de zelf-
standige naamwoorden behooren, zoo is het ver-
keerd, flaar eeu bijwoord te gebruiken, waar de
zin der rede een bijvoegelijk naamwoord bij het
zelfstandige naamwoord vordert. Men kan, bij
voorbeeld, wel zeggen: hij heeft den mondvol —
den zak, de hand vol, omdat het bijwoord vol
eigenlijk op het weikwoord hclbcn slaat; maar
■iet:
Zie HUIJDECOPE» rmfji, D. I., bl. 101—504.