Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
s7a neder-dültschè
175. Bij sommige werkwoorden, welke het
persoonlijke voorwerp in den derden , en het lijdende
in den vierden naamval vorderen, laat zich het per-
soonlijke voorwerp ook in den vierden naamval
plaatsen; doch als dan moet het lijdende voorwerp
een voorzetsel by zich hebben, als: hoi zeer benijd
ik 'u uwe bedaardheid van geest! waar « de derde,
bedaardheid de vierde naamval is; maar: hoe zeer be-
nijd ik », wegens uwe bedaardheid van geest! waar
u in den vierden naamval staat. Zoo zegt men ook:
ik verzeker het u, en: ik verzeker u daarvan,
§. 175. Om te weten, of een naamwoord als het
persoonlijke, of als het lijdende voorwerp moet be-
schouwd worden, gevolgelijk, of het in den derden
of vierden naamval moet staan, behoeft men de
gansche rede slechts in den lijdenden vorm te ver-
plaatsen. VV'ordt daar de derde naamval vereischt,
dan moet dezelve ook in den bedrijvenden vorm
plaats hebben. Men zegt, bij voorbeeld: mij wordt
herigt, dat enz.; dit werd mij geantwoord', hem
wordt het hoofd afgeslagen; derhalve ook: iemand
iets berigten, antwoorden', iemand het hoofd afslaan,
enz.; waar iemand de derde, en iets, of het hoofdei
cie vierde naamval is.
177. Alle bedrijvende werkwoorden vorderen
eigenlijk eenen vierden uaamva!l, a!s het lijdende
•toorwerp, of datgeen, het zij persoon of zaak
'ivaartoe het werkwoord zich onmiddellijk uitstrekt^
èn welke vierde naamval, in den lijdenden vorm,-
at-
m