Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
220 (nederduitsche
enz.; waarvoor echter ook het bedrijvende deel-
woord gebruikt wordt.
151. Diegene dezer werkwoorden, welke be-
drijvend zijn, en den vierden naamval bij zich
hebben, veroorzaken hier dikwerf dubbelzinnig-
heid , dewijl de onbepaalde wijs zoo wel bedrijvend
als lijdend kan verstaan worden, bij voorbeeld: ik
hoor htm roepen, hetwelk zoo wel kan beteeke-
nen: ik hoor, dat hy roept, als: ik hoor, dat hy
geroepen wordt: ik zag hem slaan, dat is , ik zag ,
dat hij sloeg, of ik zag, dat hij geslagen werd;
ik heb hem zien schilderen, ik heb gezien, dat hij
schilderde, of ik heb gezien, dat hij geschilderd
werd enz. Wanneer nu zulk eene dubbelzinnig-
heid te vreezen is, dan moet men dezelve, door
eene omschrijving, trachten te vermijden.
J. 15a. Achter andere werkwoorden volgt de
onbepaalde wys met te, wanneer dezelve een voor-
werp der handeling aanduidt, als: hij begeert u
ie spreken; het belieft mij niet, dat te doen; het
behage u, mij te hoor en; ik hoop, wensch, verlang,
u te zien; ik denk (ben voornemens;, u morgen
ie betalen; het begint te regenen; ik heet, beveel,
gelast u, te komen; hij tracht, beijvert zich, we-
tenschap te verkrijgen; ik geven mij, vroeg op te
staan; gewoon, bereid, gereed, verpligt, schuldig
zijn, iets te deen; hij weet te leven; ik ben voorne-
mens, verbind mij, dat uit te werken; zie (tracht)
mij te helpen; gij bidt mij, het u te geven; zij
dreigen, zich te wreken ; vermaan hem , te gehoor-
2«-