Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
spraakkunst.'
ös?
tiandeld; tet dezer plaatse, zullen wij nog dëze
èn gene aanmerking mededeelen, wel ten aan»
zien van de bedrijvende, als lijdende, of verlede-
ne deelwoorden.
142. De bedrijvende deelwoorden, van werk-
woorden afgeleid, welke eenen naamval beheer-
schen, kunnen dien naamval bij zich hebben, als:
de alles Verkwikkende zon; de vrucht dragende aar-
de; de om troostende vrienden; de zich zeiven he-
hagende dwaas em. De verledene deelwoorden,
welke zoo wel eene bedrijvende als liidende be-
teekenis hebben, worden somwijlen onk in eenen
bedrijvenden zin gebezigd, als : de ingebeelde zie-
ke, of die zich inbeeldt ziek te ziin; uitgediende
soldaten, die uitgediend hebben; een Godvergeten,
eervergeten mensch, die God vergeten heeft, enzi
143. Nog moeten wij hier gewag maken van
het gebruik der deelwoorden in zekere, bij ons
thans ook gewone spreekwijs, bestaande uit een
zelfstandig naamwoord , of voornaamwoord , en
een deelwoord, welke als buiten verband met de
overige rede, en op zich zeiven staan, bij voor-
beeld: dit afgedaan zijnde, ging men tot andere
zaken over; de koning gestorven zijnde, verkooi
men eenen anderen, enz.; terwijl sommigen bewe-
ren , dat hier eigenlijk niet de eerste maar de zes-
de, of, gelijk wij het thans noemen, dê derdi
naamval moet plaats hebben, en men derhalve
behoort te zeggen: den konitg gestorven zijndé
enz. ; waarvan echter het tegendeel hieruit blijkt ;
ï?: éê