Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
220 (nederduitsche
voorgesteld, dan staat het werkwoord in de aan-
toonende wijs, a!s: ik 'Schrijf, schreef-, wij hebben
gelezen, zullen lezen; zal hij lezin? enz. Wordt
eene zaak echter niet als stellig, of volkomen ze»
ker voorgesteld, dan wordt de aanvoegende wijs
gebruikt, welke derhalve na alle werkwoorden en
voegwoorden moet gesteld worden , die een nog
onzeker of twijfelachtig gevolg aanduiden (*).
136. Dat de aanvoegende wijs der werkwoor-
den niet van "de daarvoor geplaatste voegwoorden;
maar wel van den tvvijfelachtigen inhoud der gan-
sche rede afhangt ff), blijkt daaruit, dat zij,
ten minste eenige, zoo dra eene zaak als zeker
voorgesteld wordt, weder de aantoonende wijs
vereischen. Met de aanvoegende wijs: wanneer
hij, voor dien tijd, slechts een gedeelte betale, zal
ik van mijne verdere vorderingen afzien. Al kv/a,
me hij nu, zou het reeds te laat zijn. Ik vrees,
dut zijne vrouw reeds overleden zij. Hij stond,
als of hij door den bliksem getroffen v/are. Met
de aantoonende wijs: wanneer gij terug gekomen
zijt, verwacht ik eenen brief van u. Al lijd
ik gebrek , wil ik echter niet om ondvsteuning
vragen. Ik zie, dat hij komt. De spiegel herinnert
mij, dat het tijd is, ernstig te worden. Schoon
ik
(•) Zie over de woorc!en, wellie hiertoe behooren, D. I. §.
V)i en vcrv.
(t; D. I., s-30c.