Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
220
(nederduitsche
ven den derden; dat is, komt de eerste persoon
tnet den tweeden, of derden, of met beide voor,
dan stast het werkwoord in den tersten persoon
van het meervoud, als: gii en ik, of ik en gij —
hij en ik, of ik en hij, weten dat niet', ik, gij en
hij weten dat niet. . Maar Js de eene persoon de
twtede, en de andere de derde, dan staat het
werkwoord in den tweeden persoon van het meer-
voud: gij en hij, of hij en gij, zult dat niet ge»
waar worden.
131. Somwijlen is het gevoegelijkst, het meer-
voudige voornaamwoord vooraan te plaatsen, bij
voorbeeld: ik en gij, wij weten dat niet; wij, uw
broeder en ik, hebben u lang gezocht. Wanneer
het werkwoord vooraan staat, pleegt men het,
in het geraeene leven, ook wel naar hst naast bij
zijnde voornaamwoord te vervoegen: dat moet hij
en zijn bpoeder. weten , beter: dat moeten zij, hij
en zijn broeder, weten,
3. Over de tijden der werkwoorden.
132. Hoe naauwkeurig de tijden onzer werk-
woorden bepaald zijn, wordt echier de eene dik-
werf voor den anderen genomen. Zoo gebruikt
tiien den tegenwoordigen tijd, in plaats van den
volmaakt verledenen: gij hoort dan, dat ik mij
daartoe niet laat dringen, voor: gij hebt dan ge-
hoord enz. Zoo ook, in plaats van den toeko-
menden tijd: ik kom, na eenige dagen, terug, IVat
doet