Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
spraakkunst. 275
e. OVEU DE WERKWOORDEN.
1. Over de personen,
S. Ï17. Bij de vervoeging der Nederduitscbe
werkwoorden, worden de drie pers'inen niet alleen
van achteren, aan het einde des werkwoords, aan»
geduid, maar ook van voren, door de voornaam-
woorden, welke daarom, in den eersten en twee-
den persoon, niet weggelaten kunnen worden, maar
wel in den derden persoon, zoo dra de zaak, of
de persoon zelf, genoemd is, als: ik schrijf, gij
leest; maar: Jakob luistert; de klok slaat. li t
persoonlijke voornaamwoord in den eersten cn
tweeden persoon te verzwijgen, ook dan, wanneer
die door een zelfstandig naamwoord aangeduid
wordt, is strijdig met den aard der Nederduitsche
taal, bij voorbeeld: ondankbare man, zijt ooi zaak,
dat mijn vaderland moet verlaten, voor: gij zijt
oorzaak, dat ik mijn vaderland moet verlaten. Zoo
ook het in den schrijfstijl zoo gewone hebbe de
»er, enz., verklaren bij dezen enz.; bek enne deug-
delijk schuldig te zijn enz. ; in plaats van: ik heb
de eer enz.; ik verklaar hij dezen enz.; ik beken
deugdelijk schuldig te zijn enz.
118. Men houde het echter niet voor eene
weglating van bet voornaamwoord, wanneer het,
door een ter nadere verklaring tusschen gevoegd
zellstandig naamwoord, van zijn werkwoord ge-
scheiden wordt, als: ik, ellendig mensch, koop ver-
Q 4