Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
SPRAAKKUNST.
245
voornaamwoord voor zich, maar vordert een aan-
wijzend voornaamwoord achter zich, bij voorheeid:
het staat in hit vierde hoofdstuk, welk zie, voor
zie hetzelve. Hier is eene pen, welke mem, voor
neem dezelve.
112, Met betrekkelijke voornaamwoord die
wordt, doorgaans, achter de persoonlijke voor-
raamwoorden geveegd, wanneer het in den eersltn
naamval rao?t fllnnn, als: hij, die mijn vriend wil
zijn enz. Geef het ons, die daarvan een goed ge*
hruïk zullen maken. In de overige naamvallen
wordt weder liefst welke, of wie, gebezigd, bij
voorbeeld; zij ^ welken het gelukt is enz, ff/;,
^'icn ik dit gezegd heb» Ook met een voorzetsel:
hij, door wien gij dit weet ens. Zij, van welke ik
dit gehoord heb enz.
§. 113. Wanneer het betrekkelijke voornaam-
woord die op wie slaat, dan kan bet dikwerf weg-
blijven, bij voorbeeld; wie van mijne lessen vrucht
ml trekken, moet zich naarstiglijk oefenen. Som-
wijlen echter is diz meer een aanwijzend, dan be-
trekkelijk voornaamwoord; en in dat geval mag het
«iet weggelaten worden, als: wie met zijn lot te^
Vreden is, die is de rijkste. De uitlating van die
vindt alleen in den eersten naamval plaats, niet in
de overige naamvallen, bij voorbeeld: wie naar
mij vraagt, dien moet gij mijne woning wijzen^
niet: wie naar mij vraagt moet gij mijne woning
wijzen.
S. 114* Het betrekkelijke voornaamwoord wie
Q 3 wordt