Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
220 (nederduitsche
iroeder-, mijne mosder hare zuster \ mijne buurvrouw
hnre dochtttde dood zijne magt is overal zigtbaar\
voor: mijns vaders broeder', mijner moeder zuster',
de dochter van mijne buurvrouw-, de magt des doods
enz., dewijl de tweede naamval alleen een duidelijk
teeken der bezitting is.
5 84. Wanneer naar den bezitter van eenig ding
gevraagd wordt, met den tweeden naamval wiens, of
van wien, bij voorbeeld: wiens, of van wien is deze
rok , of wiens rok is dit ? dan antwoordt men, ins-
gelijks met den tweeden naamval; mijns broeders
rok; of enkel van mijnen broeder. Of moet met een
voornaamwoord geantwoord worden, dan zegt men;
het is mijn rok; of bij verkorting: het is de mijne;
of nog korter: de mijne. Doch op de vraag: wien
behoort deze rok? antwoordt men ,met den derden
naamval van een persoonlijk voornaamwoord, of van
een zelfstandig naamwoord: mij, hem, of mijnen
broeder,
85. Hetgeen van de persoonlijke voornaami
woorden des derden persoons, 67 gezegd is,
geldt ook hier ten aanzien van de bezittelijke voor-
naiimwoorden des derden persoons zijn, haar, hun.
Deze zijn ook betrekkelijk, namelijk op den hande-
lenden persoon, op wien zij terug werken; waarom
zg ook tot de wederkeerende voornaamwoorden be-
hooren.
S. s6. Doch, daar twee of meer zelfstandige
naamwoorden in eene rede kunnen voorkomen, zoo
zou het twijfelachtig kunnen wezen, op welk van
die