Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
SPRAAKKUNST. 399
a. Persoonlijke voornaamwoorden.
§, 64. De eerste en tweede persoon, ik en gij,
worden zonder onderscheid van geslacht gebruikt,
omdat zij als sprekende en aangesproken, en der-
halve als tegenwoordig voorkomen ; waarom zij,
ten aanzien van hun geslacht, reeds voor de zin-
nen kenbaar genoeg zijn. Maar de t/drrfd persoon,
welke alle personen en zaken in zich bevat, die
als afwezig gedacht, een voorwerp der rede kun-
nen wezen, komt, in het enkelvoudige getal, als
mannelijk, vrouwelijk, of onzijdig voor. Over het
gebruik van de persoonlijke voornaamwoorden, bij
de werkwoorden, zal in het vervolg gehandeld
worden.
S. 65. Zij dulden, als eene soort van eigenna-
men, geen lidwoord bij zich. Somwijlen wordt
een zelfstandig naamwoord ter nadere verklaring
bij hen gevoegd: ik de Heer ; gij dwaas; hij ar-
me man; wij inwoners dezer stad enz. Dikwerf
wordt het persoonlijke voornaamwoord achter het
zelfstandige naamwoord gevoegd, als: de brave
Eduard, hij, die niet de pracht, maar alleen de
eenvoudigheid der natuur bemint, strekke u tot een
voorbeeld.
S- 66. Het zelfstandige 'naamwoord volgt het
persoonlijke voornaamwoord in getal en naamval,
als: onderwerp u aan hem, den Heer van leven en
dood; gij moogt mij, uv/en opregten vriend, vrij
P 3 ê«'