Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
spraakkunst.
187
veel vreugd aan hem-, dat gezegde maakte weinig
indruis; weinig vlijt aanwenden-, veel kinderen heb-
ben ; veel hoofden, vel zinnen; voor weinig dagen; ik
verwacht weinig gasten enz.
§. 349. Wanneer weinig echter met het bepalen-
de lidwoord, of met een voornaamwoord gebezigd
wordt, dan wordt het op de gewone wijs gebogen,
bij voorbeeld: de weinige moeite, welke ik daaraan
gehad heb. De weinige gasten, die daar waren.
Om deze weinige redenen. Het weinige geld. Zijne
weinige goede vrienden hebben hem geholpen. Een
weinig blijft altijd onverbogen: water met een wei-
nig wijns drinken,
J. 350. Daar de veelheid bij beide deze woor-
den zeer onbepaald is, zoo hebben zij ook, op de
wijs der bijvoegelijke naamwoorden, den vergroo-
tenden en overtrelfenden trap, als: veel, meer, of
meerder, meest-, weinig, weiniger, weinigst, ook
minder, minst. Meer en weiniger, of minder, wor-
den, wanneer geen lid- of voornaamwoord vooraf
gaat, niet verbogen, en hebben den tweeden naam-
val bij zich, als: meer gelds, minder vreugd, meer
wijns, minder waters, meer menschen, minder zor-
gen enz. Doch daarentegen : ik schrijf den minde-
ren indruk, dien zijne redenen maakten, daaraan
toe enz. Op dezelfde wijze volgt de overtreffen-
de trap meest en weinigst, of minst, de verbuiging
der bijvoegelijke naamwoorden.
S' 351. De meervoudige velen en weinigen zijn
zelf.