Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
spraakkunst. l6i
dat liet, tot negentien, met tien tot een woord za«
mengetrokken wordt: dertien (^drie en tien), veertien
Cvier en tien) enz. Van twintig af wordt het
kleinere getal, door middel van het woorije en,
met de tientallen verbonden: een en twintig, twee
en dertig, drie en veertig enz. Een wordt hier
natuurlijk als een bijwoord gebezigd, en blijft on-
veranderd: een en twintig mannen — een fniet eene)
en twintig vrouwen. 2. Boven honderd, wordt het
kleinere getal achteraan geplaatst: honderd en een,
duizend en zes enz. Doch wanneer hetzelve het
getal der honderden en duizenden bepaalt, treedt
het weder vooraan: een honderd, drie honderd,
vier duizend enz. Men schrijft deze woorden van
elkander afgescheiden: vier honderd en zestig, acht
duizend zes en negentig enz., en niet vierhonderd-
enzestig enz. Zie 67.
§. 308 Het telwoord een wordt als het lidwoord
een verbogen, en heeft altoos den nadruk der uit-
spraak, terwijl bij het lidwoord een de'klemtoon
op het zelfstandige naamwoord valt, waarbij het
gevoegd is: den man, in tegenstelling van twee,
of meer mannen — cen mdn, dat is zeker man.
Om de eenheid nader te bepalen, zegt men maar
ten: ik heb maar een kind; of een eenig: er is
maar een eenige God-, niet een eenige Vriend be-
zocht mij
§. 329, Met het bepalende lidwoord voor zich ,
ontvangt een, in den eersten naamval van het roan-
M a n?-