Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
152 ne d erduitsche
door het verledene deelwoord en de hulpwoorden
hebben en zijn omschreven wordt, stelt eene zaak
voor als geheel geëindigd, op den tijd, waarin men
spreekt, zonder opzigt op eenigen anderen tijd, of
eenige andere handeling: ik heb bemind, gij hebt
geslapen, zij zijn gestorven enz.
S- 310. 4. De meer dan volmaakt verledene tijd,
welke op dezelfde wijs, als de volmaakt verledene
omschreven wordt, beteekent, dat eene zaak geëin-
digd was niet alleen op den tijd, waarin men spreekt,
maar ook op den tijd, waarvan men spreekt; of
die eene handeling aanduidt, welke reeds geheel
voorbij is, wanneer eene andere begint: ik had be-
mind, gij hadt geslapen — zij waren gestorven.
Toen ik hem geprezen had, begon hij te lagchen. Ik
had mijnen brief geschreven toen zij in kuis kwa-
mm enz.
311. 5. Dz toekomende ü]A, eindelijk, welke
door zamenzetting van het hulpwoord zullen met
de onbepaalde wijs der werkwoorden gevormd wordt,
en te kennen geeft, dat iets zal geschieden, is
iweederlei, zoo iu de aantoonende, als aanvoegen»
de wijs. De eerste toekomende tijd der aantoonende
wijs zegt eeuvoudiglijk, dat eene zaak toekomend
is, op den tijd, waarin men spreekt: ik zal prij-
zen , gij zult geprezen worden, zij zullen sterven
enz. De tweede toekomende tijd der aantoonende
wijs drukt uit, dat iets toekomend is, op den tijd ,
waarin men spreekt, maar verieden zijn zal, op
den tijd, waaiyan men spreekt: ik zal geprezen
heb.