Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
h8 nederduitsche
aandrijving, insgelijks door dat, als: dat hij vch
haaste.
1:99. Nog wordt de aanvoegende wijs met
eenige andere voorvoegsels gebezigd, alstoA, als-
of, ten zijy schoon enz.; bij voorbeeld : ik twij-
fel, of hij mijn vriend wel zij — of hij het ware^
of een ander , is niet gebleken — het scheen, alsof
hij op nieuw jong geworden ware — ik zal niet
rusten, ten zij men mij voldoening geve — hij zou»
de niet genoeg hebben, schoon hij een miljoen beza-
te enz.
S. 300. Hierbij moet, eindelijk, nog aange-
merkt worden, dat, in de boven bijgebragte ge-
zegden, de aanvoegende wijs niet van de voor-
voegsels afhangt, maar in den aard der uitdruk-
king zelve gelegen is, dewijl in al de genoemde
voorstellen iets twijfelachtigs, iets onzekers plaats
heeft, geen derzelven iets stelligs, of volstrekts
zegt; hetwelk de eigenschap der aanvoegende wijs
is.
4. Over de tijden der werkwoorden.
5. 301. De tijden der werkwoorden zijn vijf in
getal, namelijk, de tegenwoordige, onvolmaakt ver-
ledene, volmaakt- en meer dan volmaakt verledene y
en de toekomende tijd, waarvan de twee eerste
door verbuiging van het werkwoord zelf, de drie
laatste door middel van de hulpwoorden hebben,
zijn eu zullen gevormd worden.
S. 302'