Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
134
NE D ERDUITSCHE
blijft veel meer in het onderwerp, of den persoon
zeiven, btpaald; bij voorbeeld; het kind slaapt,
sterft enz.
969. De onzijdige werkwoorden, welke allen
zich tot het onderwerp der rede, of den persoon
zeiven, bepalen, beteekenen, of eene eigenschap,
als: glimmen, glinsteren, verbleeken, schi'nen, bloei'
jen enz.; of eenen toestand, als: zitten, staan,
liggen, rusten, leven, sterven enz.; of een b&drijf,
als: gaan, reizen, wandelen, lagchen, blaf en enz.;
of zulk een bedrijf, waarvan het lijdende voorwerp
in het werkwoord zelf opgesloten ligt, als ».uizen,
dat ia muizen vangen, visschen, dat is visschen
vangen.
$. 270, De onzijdige werkwoorden worden, dan
roet zijn, dan met hebben, vervoegd. Zij bekomen
het hulpwoord hebben, wanneer zij meer een bedrijf,
dan lijden bettekenen. Tot deze behooren arbeiden,
beven, bijstaan, blaffen, bheijen, brommen, brullen,
draven , duren , etteren , feilen, gapen, gillen , gon-
zen, grazen, heerschen, hoesten , huichelen, janken ,
jongen, ijveren, juichen, kalven, kampen, kegelen,
kiemen, kijken, kijven, kirren, klagen, knielen,
knikkeren, kolven, koten, lagchen, luisteren, maaw
wen, muizen, murmelen, niezen, overwinteren, pie'
pen , pogchen, pralen , razen, rieken, rogchelen , f o««
ken, schateren, schertsen, schreijen, smachten, snor-
ken, snuiven, spotten, stormen, stotteren, streven,
toornen , trachten, treuren , twijfelen, vasten, vech»
ten, volharden , vuren, waken , woeden , zondigen,
enz.;