Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
138
NEDE RDUITSCHE
uitzonderüig, tn gevraagd', en meTpebruikt
meestal, in den oovohnaakt verledenen tijd, jaag-
de, vraagde i zoo (kt deze werkwoorden insgelijks
kunnen gerekend worden, reeds met den grooten
stroom der gelijkvloeijende werkwoorden medege-
sleept te zijn.
257. Uit de onvolmaakt, of volmaakt ver-
ledene tijden der ongelijkvloeijende werkwoorden,
spruiten naamwoorden voort, waarvan wederom
werkwoorden gevormd worden, welke altijd gelijk-
vloeijend zijn, en, in hunne beteekenis, roet het
naamwoord overeenkomen, waarvan zij afgeleid
zijn. Zoo komt, bij voorbeeld, van gaf, zijnde de
onvolmaakt verledene tijd van geven, het naamwoord
gaaf, gave, en hiervan het gelijkvloeijende werk-
woord begaven. Zoo ook komt van mat, de onvoU
maakt verledene tijd van meten, het zelfstandige
naamwoord maat, mate, waarvan het bijvoegelijke
naamwoord matig, en hiervan wederom het gelijk-
vloeijende werkwoord matigen, matigde, gematigd.
Op gelijke wijs is van voer, de onvolmaakt verlede-
ne tijd van varen, het zelfstandige voer (een voer
hooi) afkomstig; en van daar h<t gelijkvloeijende
werkwoord voeren, dat is doen varen. Even zoo
komt van zoog, de onvolmaakt verledene tijd van
zuigen, het zelfstandige zog, waarvan het gelijk-
vloeijende zogen, dat is laten zuigen.
258. Somwijlen worden ook van den tegenwoor-
digen tijd der ongelijkvloeijende werkwoorden zelf-
stan-