Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
126 NE D ERDUITSCHE
J. 254,. Tot de dtrde soort brengt men die werk-
woorden, Wellie, zoo wel in den onvolmaakt ver-
ledenen tijd, als in het lijdende deelwoord, van
wortelklinker veranderen; doch in elk van deze op
eene bijzondere wijs, bij voorbeeld:
1. De zachte lange e gaat, in den onvolmaakt
verledenen tijd, op a over, en, in het lijdende
deelwoord, op de zachte lange 0, als: bevelen,
beval, bevolen, breken, brak, g»broken, steken, stak,
gestoken.
2. Dezelfde e gaat, in den onvolmaakt verlede-
nen tijd, tot oe en de zachte lange 0, en, in het
lijdende deelwoord, tot de laatste over,
ren, schoer, schoor , geschoren, zweren, zwoer , zwoor,
gezworen.
3. De korte i verandert, bij den onvolmaakt
verledenen tijd, in a, en bij het deelwoord, in de
zachte lange e, als: bidden, bad, gebeden, zitten,
zat, gezeten, liggen, lag, geleden.
4. Ds scherpe korte e gaat, in den onvolmaakt
verledenen tijd, op ie, of de korte 0, en, in het
deelwoord, op de laatste over, als: helpen, hielp,
holp, geholpen, sterven, stierf, storf, gestorven , wer-
ven, wierf, worf, geworven.
255. De vierde soort bevat die werkwoorden,
welker onvolmaakt verledene tijd, door verloop,
reeds gelijkvloeijend geworden is, als: bakken,
bakte , (oulings biek) , gebakken , braden, braadde
{o\xXvi\g^^ bried) ^ gelraden, lagchen, lachte (oulings
loech),