Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
148 NE D ERDUITSCHE
behooren w^/y?'«, develke, die, wie. Hunne betrek-
king blijkt uit de volgende voorbeelden: gtj zijt
de eerste, die mij dit zegt. Hij is de man, wiens
vrieruischap mij dierbaar is. Zoude ik hem niet
liefhebben, van wien ik zoo veie weldaden ontvan-
gen, dan wien ik zoo veel goeds te danken heb ?
Zij is gestorven, welke ik hoogachtte. Dit is de
vrouw, over wier schoonheid wü ons verwonderen.
Ik heb het boek gekocht ■ dat mij door u is aange-
prezen , een boek, welks inhoud zeer belangrijk is.
a34 üikwett virorden wiens cn welks onver-
schillig in het onzijdige geslacht gebruikt, «choon
wiens alleen de tweede enkelvoudige naamval van
het niani'elijke, en velks die van het onzijdige ge-
slacht is Men zegge derhalve: de man, viens
geleerdheid enz.; Het land^ welks iiitgestrektheid
enz.
s44. Het betrekkeUike voornaamwoord wie
wordt dikwerf zoo gebruikt, dat het betrekking
heeft op iets, dat volgt; doch daar dit volgende
zich gevoegelijk vooraan laat plaatsen , zoo blijft
wie een waar betrekkeliik voornaamwoord, en slaat
eigenlijk op het voorgaande. Zoo zegt men, bi)
voorbeeld; wien ik mijn woord geef, dien zal ik
niet misleiden, hetwelk men ook dus kan omket-
ren: dien zal ik niet aiisleiden, wien ik mijn woord
geef Hetzelfde heelt plaats ten aanzien van het
onzijdige wat: wat mij gebeurd is, dat zal ik u
verhalen; waarvoor men ogk kan zeggen; dat zal
ik