Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
144
NE D ERDuITSCHE
op lijdzaamheid en onschuld toe; want gene (de
lydzaamheid) leert u de wederwaardigheden verdra-
gen, deze (de onschuld) dezelve overwinnen.
039. Dat degtne, hetgene, hetwelk de betee«
kenis van ons die, dat heeft, tot de aanwijzende,
en niet tot de betrekkelijke voornaamwoorden be-
hoort, blijkt uit de wijs, waarop hetzelve ge-
bruikt wordt; want men zegt wel degene, die mij
eert, maar nimmer bij ons, die, de gene mij eert;
hetwelk echter bij de Vlamingen, in de gewone
taal, nog gehoord wordt; schoon met den aard
onzer taal strijdig. Op dezen grond zegt men
ook hetgene, dat ik wil, maar niet, dat ^ hetgene
ik wil.
240. Zie hier eenige verbuigingen.
Mannelijk.
1. Deze,
2. Dezes,
3. Deun,
4. Dezen,
Mannelijk.
1. Deze,
2. Dezer ,
3. Dezen,
4. Leze,
DEZE.
Enkelvoudig.
Vrouwelijk,
Deze,
Dezer,
Deze, dezer,
Deze.
Meervoudig,
'Vrouwelijk.
Deze,
Dezer,
Leze, dezer,
Deze.
Onzijdig.
Dit,
Dezes,
Dezen, dit,
Dti.
Onzijdig.
Zoo als in
mannelijke
geslacht.
het
ge-
Het