Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
SPRAAKKUNST.
loi
der bezittelijke voornaamwoorden blijkt, dat zij,
in den tweeden naamval van het meervoud, in alle
geslachten, gelijk ook in den derden naamval van
het vrouwelijke geslacht, er achteraan nemen,
als: mijner, onzer, hunner enz. De reden hier-
van is, dat zij niet, even als de bijvoegelijke
naamwoorden, het lidwoord de voorop hebben.
En dit zelfde heeft plaats omtrent deze, welke^
en meer andere voornaamwoorden; gelijk uit het
gebruik genoegzaam bekend is. Dezelfde buiging
beeft bij ons, uw, zijn, haar en hun plaats; met
dit onderscheid echter, dat ons, in den eersten
naamval van het mannelijke geslacht en het en-
kelvoudige getal, onze heeft: onze meester wij»
ders, dat hun, in de verbuiging, eene n aan-
neemt: hunne, hunnen.
§. aaS. Nog dient hierbij aangemerkt te wor-
den , dat, gelijk het persoonlijke voornaamwoord
u, hetwelk eigenlijk meervoudig is, ook voor hec
enkelvoudige komt, ook zoo het daarvan afgeleide
uw, zoo wel enkelvoudig als meervoudig gebruikt
wordt: o Vader! vaarschuw uwen zoon. Gij
Moeders l kent uwe dochters.
%. 229. Om den eigendom nader te bepalen,
voegt men bij de bezittelijke voornaamvvoordea
dikwerf nog het woord eigen: mijn eigen goed^
zijne eigene hand, onze eigene kinderen, hun eigea
zoon, uw eigen kuis.
§. 230. Ook wordt het bepalende lidwoord ds
voor de beattelijke voornaamwoorden gevoegd: