Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
IIO
NEDERDUITSC HE
men: haar akkers hare dochter, haar huis. En
zoo is het ook in het meervoud: hun akker, hun-
ne dochter, hun huis, — haar akker, hare dochter,
haar huis-, zijnde de verbuiging van het bezittelij-
ke voornaamwoord haar, in het meervoud, dezelf-
de als in het enkelvoud. Wanneer beide, de be-
zittende persoon en de als eigendom voorgestelde
persoon of zaak, in het meervoud staan, zegt
men: hunne akkers, hunne dochters, hunne huizen,
in het mannelijke, — hare akkers, hare dochters,
hare huizen, in het vrouwelijke geslacht.
226. Het bezittelijke voornaamwoord mijn,
wordt op de volgende wijs gebogen:
Enkelvoud.
Mannelijk.
1. Mijn,
a. Mijns,
3. Mijnen,
4. Mijnen.
Vrouwelijk.
Mijne,
Mijner ,
Mijne, mijner.
Mijne,
Onzijdig,
Mijn,
Mijns,
Mijnen ,
Mijn.
Meervoud.
1. Mijne,
2. Mijner,
3. Mijnen,
4. Mijne.
Zoo als in het
enkelvoud.
Zoo als in
mannelijke
slacht.
het
ge-
227. Uit de boven aangevoerde verbuiging
der