Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
SPRAAKKUNST.
loi
Van gesproken wordt, niet alleen een eigendom,
maar ooi{, dat het een eigendom van mij is.
224. Doch, schoon zij zoo wel op den per-
soon , als op de zaak betrekking hebben, duidea
echter de bezittelijke voornaamwoorden des eer-
sten en tweeden persoons miin, «ve, alleen het
geslacht van den persoon, of de zaak aan, welke
als een eigendom voorkomt, en niet dat van den
persoon, wierts eigendom genoemd wordt. Een
persoon, of eene als persoon gedachte zaak, van
het mannelijke, vrouwelijke, of onziidige geslacht,
zegt, zonder onderscheid, mijn roem, mijne lief-
de, mijn huis. Men zegt tot den tweeden per-
soon, zonder onderscheid van geslacht, uw vader,
uwe vreugd, uw goed. Zoo ook in het meervoud:
ome broeder, onze vriendin, om veld, ot.ze goe-
deren , — uw broeder, uwe vriendin, uw veld, uwe
goederen-
a^S. De bezittelijke voornaamwoorden des
derden persoons, daarentegen, beteekenen zoó
wel het geslacht des bezitters, als dat der bezit-
ting, door zijn voor het mannelijke en onzijdige,
en haar voor het vrouwelijke te bezigen; terwijl
beide echier naar bet geslacht der zaak, welke
men als eenen eigendom voorstelt, gebogen wor-
den. Men zegt derhalve, wanneer de persoon,
wien de bezitting toegekend wordt, van het man-
nelijke, of onzijdige geslacht is: zijn akkerzij"
ne dochter, zijn huis. Maar behoort de bezitten-
de ^ersoou tot het vrouwelijke geslacht, dan zegt
men i