Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
SPR A AKKUN S T.
103
§. 214. De eentt, of sprekende persoon wordt,
in het Nederduitsch, uitgedrukt door ik (in het
meervoud w//); de tweede, of aangesprokene
persoon (in het enkel- en meervoud), door g«;;
de derde persoon, of die, van welken gesproken
wordt, door hij, zij, het (in het meervoud zij),
men, iemand, niemand. Derzelver verbuiging is
deze:
Enkelvoud.
II
Eerste persoon.
I. n,
a. Mijns (van mij),
3. Mij (^aan mij),
4. Mij.
Tweede persoon.
Gij,
Um (van u),
U Qaan u),
U.
Meervoud.
I. W,j.
3. Onzjer {van om),
3. Ons {aan ons),
4. Ons.
Gij,
Uwer (van ü),
U Qian u),
U.
Derde persoon.
Mannelijk.
I. Hij,
a. Zijns (yan
hem).
Vrouwelijk. Onzijdig.
Zij, Het,
Harer^vanhaar), Fan het,
G 4 3