Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
spraakkunst*
3?
ben eene onregelmatige vergrooting, 2\&'.goed, beter,
bett, veel, meer, meest, weinig, minder, minst. En
deze onregelmatige vergrooting ontstaat daaruit, dat
het eene of andere gedeelte dier woorden in onbruik
geraakt is. Zoo is van goed, goeder, goedest, of
goed't, van veel, veelder, yeelst, alleen de stellende —
van bet, beter, hütest, of best, zoo ook van min,
minder, mindest, oï minst, van mee., meer, meest,
alleen de vergelijkende en overtrelFende trap overig,
terwijl weiniger, weinigst nog in gebruik is. Bij
andere bijvoegelijke nnamwoorden is slechts de over-
treffende trap gebruikelijk, als: uiterst, achterst, be-
nedenst, bovenst, onderst: aan de uiterste grenzen, in
de achterste kamer enz.
203. Schoon de beteekenis van vele bijvoegelij-
ke naamwoorden door derzelver vergrooting schijnt
verminderd te worden, als: klein, kleiner, kleinst,
jong, jonger, jongst enz., zoo ontstaat zulks uit de
beteekenis zelve, en niet uit de verbuiging, welke
eene ware vergrooting blijft; want kleiner vergroot
het denkbeeld van klein enz. Moet de beteekenis
merkelijk verminderd worden, dan bedient men zich
van eene omschrijving, met hec bijwoord minder,
als: Cajus is minder geleerd, dan Titius.
4. ^osf-