Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
spraakkunst* 3?
ge getal, onverbogen moet blijven; doch de aard
der bijvoegelijke naamwoorden pleit ten sterkste
voor de verbuiging zoo wel van den vergrootenden,
als van den overtrefcnden trap, welke altoos be-
hoort plaats te hebben, wanneer de welluidend-
heid dezelve niet verbiedt. Men zegge derhalve:
ik klom eerst op eenen hoogen, daarna op eenen
hoogeren, en eindelijk op den hoogsten berg; maar
niet: ik heb nooit eenen ondragelijkeren, of hatC'
lijkeren man gezien; hetwelk men liefst bij ver-
korting uitdrukt: ik heb nooit een'' ondragelijker*,
of hatelijker^ man gezien,
197. In sommige gevallen wordt de vergroo-
tende en overtreffende trap niet door verandering
van de uitgangen, maar door middel van de woor-
den meer en meest gevormd, als: meer doordron-
gen, meest doordrongen, meer gedachtig, meest ge-
dachtig, meer waar, meest waar.
§. 198. Voor den overtreffenden trap wordt dik-
werf nog de tweede naamval aller gevoegd, als:
allergrootst, allerschoonst, allerslechtst txiz.\ en dit
geschiedt, om de hoedanigheid, welke door het
bijvoegelijke naamwoord aangeduid wordt, tot den
hoogsten trap van grootheid te verhe&en, dewijl,
bij voorbeeld, van tien geleerden wel vier de ge-
leerdste van de overigen kunnen wezen; maar al-
toos slechts een de allergeleerdste, dat is de ge-
leerdste onder allen, is
199. Bij zamengestelde bijvoegelijke naam-
woorden > geschiedt de vergiooting alleen aan het
laat-