Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
spraakkunst*
3?
hunne zelfstan iige naamwoorden geplaatst, of,
door het werkwoord zij;}, of worden, van dezel-
ve afgescheiden zijnde , lijden geene verbuiging ,
en worden als bijwoorden gebezigd; zoo zegt
men , bij voorbeeld : die man, die vrouw is schoon —
die mannen, die vrouwen zijn schoon, niet schuone;
Pieter wordt groot, grooie. Zoo ook, wan-
neer het werkwoord zijn verzwegen wordt: men-
schen, afgerigt op schelmstukken, niet afgerigte,
naardien afgerigt voor een bijwoord komt, en
zijnde daaronder verstaan wordt. Het is intus-
schen kennelijk genoeg, wanneer de bijvoegelijke
naamwoorden als ware bijwoorden voorkomen,
indien zij namelijk tot het werkwoord, en niet
zoo zeer tot den persoon, of de zaak, of tot het
zelfstandige naamwoord, in betrekking staan, bij
voorbeeld: deze paarden zijn sterk, hier behoort
sterk eigenlijk tot paarden, en is dus eeu onver-
bogen, of als bijwoord gebezigd, bijvoegelijk
naamwoord; maar: deze paarden loopcn sterk-, hier
behoort sterk tot ioopen, en beteekent zoo veel
als op eene sier'tc wji', waarom het hier ook een
waar bijwoord is. Zie verder bij de bijwoor-
den (*).
' 3. Trappen van vergelijking.
J. 19a. De bijvoegelijke naamwoorden hebben
twee trappen van vergelijking, den vergrootenden
en
(♦) lle ook L. TïN KAïE, D. I., b!; 348 » S79'