Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
SPRAAKKUNST* 3?
een Iwaad enz. Zoo zegt men ook: het heminne'
lijke dezer deugd — het aandoenlijktte dier gtl/eur-
tenis enz.
2. Het geslacht, getal, en de verbuiging van
de bijvoegelijke naamwoorden.
184. De bijvoegelijlte naamwoorden zijn man-
nelijk, vrouwelijk en onzijdig, hebben een meer-
voudig getal, en worden in dje gewone naamval-
len verbogen, zich in dit alles schikkende naar de
zelfstandige naamwoorden, tot welke zij behooren,
of die er ou er verstaan worden ; welk alles uit de
voorbeelden van verbuiging genoegzaam zal bliiken.
§. 185. Intusschen is het van belans; te weten,
welke regels men in de plaatsing van e achter bij-
voegelijke naamwoorden, met zelfstandige veree-
nigd, te volgen hebbe; zij zijn hoofdzakelijk deze:
1. bij die van het vrouwelijke geslacht, het zij er
een lid- of voornaamwoord vooraf ga , of niet: eene
groote tafel, die dankbare dochter, 0 Iteve Moeder!
. enz. 2. bij die van het mannelijke geslacht vindt de
e mede plaats in den eersten naamval, als: groote
dienst; ook wanneer ons bepalend lidwoord of
de voornaamwoorden die, mijn vooraf gaan, als:
de wijze man, die sterke jongen enz. (*) ; 3. insge-
lijks bij de onzijdige bijvoegelijke naamwoorden,
wan-
(♦) En derhalve ook, wanneer iemand aangesproken wordt;
wat begeert gij, irave Man? Creete Jongen! speelt gij nog ?
Of aan het hoofd van eenen brief: waarde Broeder'. Zeer geacbtt
vriend! niet waard Broeder! enz.
F 4