Boekgegevens
Titel: Zielleer voor kinderen
Auteur: Siebeck, August David Heinrich; Martens, M.
Uitgave: Franeker: G. Ypma, 1823-1825 *
Opmerking: Vert. van: Seelenlehre für Kinder. - 1822
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 B 3
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205981
Onderwerp: Filosofie: filosofische antropologie, filosofische psychologie
Trefwoord: Filosofie van de geest, Leergesprekken, Kinderboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zielleer voor kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
16 ZiELLRER.
ligchaam wilÏPn bezoeken. Ik geloof ecliter, dat
hare talnjke fxjdienden ons het zekerste borigt
van de verblijfplaats van hare gebiedster zullen
kunnen geven. Wij zullen ons daarom dadelijk
tot dezelve wenden, en, iji de eersla 2;)Iaats,
ons verzoek rigten aan het oog, als den voor-
naamfften dienaar, als een wezenlijk bewonde-
renswaardig meesterstuk van de v/ijsheid des
Schep}3ers.
Wat is het oog ?
L. Een werktuig om te zien.
O. Hoe kunt gij dit beweren ? De doode
heeft oogen, en kan toch niet zien.
L. Omdat hem de ziel ontbreekt, die zich
van dit werktuig bedient.
O. Wie ziet dus eigenlijk?
L. De ziel.
O* De blinde Iieefl; eene ziel en twee oogen,
maar kan even zoo min zien als de doode.
Misschien heeft zich dat gedeelte der ziel, dat in
de oogen woont, naar een ander gedeelte van
het ligchaam begeven, en de ziel verlaten.
L. De ziel heeft geene deelen; want zij is
een geest.
O. Wat verhindert dus den blinde, om te
zien ?