Boekgegevens
Titel: Zielleer voor kinderen
Auteur: Siebeck, August David Heinrich; Martens, M.
Uitgave: Franeker: G. Ypma, 1823-1825 *
Opmerking: Vert. van: Seelenlehre für Kinder. - 1822
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 B 3
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205981
Onderwerp: Filosofie: filosofische antropologie, filosofische psychologie
Trefwoord: Filosofie van de geest, Leergesprekken, Kinderboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zielleer voor kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
EERSTE GESPREK. ii
L. Wijl do ziol van liet ligchaam gcsclieidon is.
O. Maar zoo lang beide wezenlijke doelen
met elkander verbonden zijn, heeft de meiisch
kvoii en beweging. Waaruit kunt gij nu bewij-
zon, dat gij eene ziel hebt?
L. Daaruit, dat ik loven en beweging bezit.
O. Maar wie van beiden is de oorzaak?
L. Uü ziel.
O. Hoe zoo ?
L. Omdat leven en beweging ophouden,
wanneer de ziel van het ligchaani gescheiden
wordt.
O. Waardoor ontvangt ons ligchaatn dus le-
ven en beweging?
L. Door de ziel.
ü. Daar wij leven en beweging in de dieren
niet kunnen loochenen, wat moeten zij dus ook
bezitten ?
L. Èene ziel.
O. Maar, wanneer nu iemand twijfelde, of
de dieren wel eene ziel bezitten, waarmede
zoudt gij hem overtuigen?
I/. Daarmede, dat de dieren leven en zich
bewegen.
O. En wanneer men in twijfel Irok, dat do
ziel leven en beweging aan het ligchaam geeft,