Boekgegevens
Titel: Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Auteur: Dolz, Johann Christian
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1820
Opmerking: Vert. van : Anstandslehre für die Jugend
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1024 G 33
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205973
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 82 )
(§. 47). Reeds het natuurlijk gevoel voor
het betamelijke verklaart deze gebaren, die
geene nadere beschrijving behoeven, voor
onwelvoegelyk» Ook is het naauwelijks
noodig aan te merken, dat het onwelvoege-
lljk is, in het b^n van anderen, zich zei-
ven een deuntje voor te fluiten of te tralle-
reo, luide te zuchten, te geeuwen, zonder
de hand voor den mond te houden, of wel
zeMs zoo te geeuwen , dat men het hooren
kan, met den neus te smriven, of te rogche-
len. Een kwaad aanwensel van de laatste
soort kan zeer ligt een meer dan morsig,
een walgelyk verschijnsel te wege brengen.
aekere gelegenheden kan ook door geba-
ren, die op zich zelve niet onwelvoegeliyk
zijn, de welvoegelijkheid beleedigd worden.
Bij voorb., een schielijk omzien of om-
draaijen naar iemand andeK, is op zich zelf,
niet onwelvoegelljk. Wanneer ons, echter,
bij voorb. renand op eenen ander in eenlg
opzigt opmerkzaaih gemaakt heeft, en w^
2ien fl/i ha idfii gt^nbiik naaiF hm otn,
iioakon die ]xg£ gemerkt werdm, m daarota
•nwelToegelijk zijn. S*