Boekgegevens
Titel: Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Auteur: Dolz, Johann Christian
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1820
Opmerking: Vert. van : Anstandslehre für die Jugend
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1024 G 33
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205973
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 59 )
niet vermijden kan, zich daarbij zoo niïn
mogelijk doen hooren, ook het gezigt vin
anderen afwenden, en vooral niet de lomp-
heid begaan van, na gedane reiniging, in
zijnen zakdoek te zien. Even zoo zal hij
ook, niet alleen een te sterk niezen, doör
het voorhouden van zijnen zdtdoek, verhoe-
den, maar ook anderen en zich zeiven daar-
door voor de vuile bevochtiging, die ligt
een gevolg van het heftige onbedekte niezen
zijn kan, beveiligen. Zijn.speeksel zal lig
geenszins in elk vertrek, aan de eerste de
beste plaats naast hem, op den gnond, uit-
werpen, maar, zonder iets te laten merken,
naar de kwispedoor, zoo er die is, om-
zien , en zich alsdan, met voorhooding van
den zakdoek of van de hand, van zijn speek-
sel ontdoen, of, indien er geen kwispedoor
bij de hand mogt zijn, zich daartoe van zij-
nen zakdoek bedienen. Dat het strijdig met
de zindelijkheid zij, met de vingers in neus ,
mond, of ooren, te peuteren, de/nagels af
te bijten, aan de vingers te kaamven, en
bijzonderlijk in hit bijzijn vm andertn^
C 6 2on*