Boekgegevens
Titel: Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Auteur: Dolz, Johann Christian
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1820
Opmerking: Vert. van : Anstandslehre für die Jugend
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1024 G 33
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205973
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
( ftai )
tX] heeft mij dat geschréven
hij heeft mij dat geschreven ?
hij beeft mij dat geschreven
hij heeft mij' dat geschreven
hij heeft rMj dat geschRev-en.
In het eerste geval wordt hoofdzakelijk
persoon bedoeld, die geschreven zoUde heb-
ben ; in het derde, de persoon, aan Avien
geschreven is ; in het'twéede, dat de tijd
van dit schrijven verleden is; in het vierde
het onder^vèrp, dat geschreven is; in het
vijfde, dat het juist door middel van schrij-
ven was medegedeeld. Dikwijls maakt de
bedoeling des sprekers het noodzakelijk den
klemtoon, op eene lettergreep van "eert
woord te leggen, die anders altijd kort be-
hoort te zijn. Bij voorb., hij had ons zoo
veer ^«schonken, dat hij zelf ^«chonken
%verd. Of: Men zondigt, het zij men doe,>
Wat de wet verbiedt, het zij men late
wat zij gtfbiedt. Door het juiste gebruik
van deze, door geenerlei taalteeken aange-
duide , klemtoonen, bekomt elke prozaïsche
«f poetische redevoering het ware vuur en
K 3 Ie.