Boekgegevens
Titel: Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Auteur: Dolz, Johann Christian
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1820
Opmerking: Vert. van : Anstandslehre für die Jugend
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1024 G 33
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205973
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
'C 190 )
heid, wanneer men zicli namelijk den mond
verbrandt, en daardoor in de vuile verlegen-
heid komt, van het eten er weder uit te
moeten halen. Even zeer strijdt het met de
zindelijkheid, te veel op eene keer in den
mond te nemen, zoodat men het weder moet
laten vallen, oF, met behulp der vingers, er
in stoppen; voorts een onregelmatig snijden
vau vleesch, waarbij men het lid misf, en in
gevaar komt van het tafelkleed of zijnen buur-
man te bespatten; het niet afwisschen van
mond en kin, wanneer eenige spijs zich aan
dezelve vertoont. De welvoegelijkheid wordt
geschonden niet alleen door hen, op wier
plaatsen men een magazijn van groote en
kleine broodkruimels ontdekt, maar ook van
diegenen, die de overtollig genomen boter
weder in de boterkom doen, het zout met
de vingers krijgen, of, met het brood of ee-
nige andere spijs, in het zoutvat komen;
door hen, die, met vork of mes, het tafel-
kleed vuil maken; met een onafgewischt mes
brood snijden; met eenen lepel, dien men
reeds, onder het eten, aan den mond gebragt
heeft.