Boekgegevens
Titel: Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Auteur: Dolz, Johann Christian
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1820
Opmerking: Vert. van : Anstandslehre für die Jugend
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1024 G 33
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205973
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 169 )
tweede onaangename en aanflootelijke beteeke-
nis kunnen hebben. Zoo zeide, bij voorbeeld,
een burgemeester van eene kleine stad tot
eenen doorreizenden staatsdienaar, om de
betaling te weigeren van eenen strop, met
welken hij deszelfs rijtuig vast gemaakt had,
„ Ik neem niets aan; Uwe Excellentie heeft
wel meer dan eenen strop aan ons land ver-
diend." — Inzonderheid moet op de woörd-
voeging gelet worden bij de gewone belee^'d-
heidsformulieren, opdat men zich niet, door
eene verkeerde ]ilaatsing van een woord, be-
lagchelijk make, of wel, in plaats van eene
beleefdheid, eene lompheid zegge, gelijk
wanneer men iemand de verzekering geeft:-

Ik heb de eer u niet te kennen.'
4) Men gebruike, in zijn spreken, geene
nietsbeteekende zegswijzen of verzekeringen,
als: zoo gezegd, ziet eens, weet gij, wel
drommels, ik wil een schelm zijn, of wel
nog meer onwelvoegelijke.
5) Men make behoorlijk onderscheid tus-
schen de taal der verkeering en die van boe-
ken. De eerste mag zich niet van lange,
H kunst-
m