Boekgegevens
Titel: Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Auteur: Dolz, Johann Christian
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1820
Opmerking: Vert. van : Anstandslehre für die Jugend
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1024 G 33
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205973
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
C )
■ddijke zegswijzen, onbeschaafde vernuftsp£'
lingen , laffe woordvcrdraaijingen, en alles
•nat aansiootelijk of walgelijk is. Geen be-
schaafd persoon, bij voorb., zal, wannter er
van vuil of drek moet gesproken worden,
zich van de lagere bewoording, welke de ge-
wone taal der onbeschaafden heeft, bedienen.
■Wie slechts eenige beschaafdheid bezit, zal
zich over die natuurlijke verrigtingen, welke
welvoegelijkheid voor het oog van een
ieder te verbergen zoekt, wanneer het al
jioodzakelijk is, daarvan te spreken, nooit
anders dan met eene beschaafde omschrijving
uidaten. Door het bijvoegsel „ met verlof^
wordt het onbetamelijke van eene walgelijke
uitdrukking onmogelijk weggenomen. Wie
beseft niet, dat in de meeste gevallen door
de zegswijzen: het zou wat! dat is niet
waarl dat verstaat gij niet! enz. eene onbe-
tamelijkheid begaan wordt ? Tot de onedelere
spreekwoordelijke uitdrukkingen behooren bij
voorb. iemand het gat likken, enz.
3) men voege zijne woorden niet zoo bij-
<ie«, dat zij dubbelztmig worden ^ of eene
twee»