Boekgegevens
Titel: Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Auteur: Dolz, Johann Christian
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1820
Opmerking: Vert. van : Anstandslehre für die Jugend
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1024 G 33
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205973
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
'C 8 )
te brengen. Zij bedekten, bij voorbeeld,
Jiun ligchaara met bladeren van eenen boom,
versierden hun haar met bloemen, enz. In
het vervolg poogde men de schoonheden,
yvelke de natuur gedurende eenigen tijd wei-
gerde, door kunst te vergoeden. Men ver-
vaardigde kleederen, die, bij verder tijdver-
loop , éene meer en meer behagelijke gedaan-
te verkregen; ook vervolgens kunstWoe-
men, en andere dergelijke dingen. Het
schoonheidsgevoel bragt ook de men-
schen trapswijze daarheen, dat rij het niet
voor het zelfde hielden, of zij zich op deze
of gene wijze gedroegen. Zij begonnen
mede, hoewel duister, iets van datgene te
gevoelen, wat onze meer of minder be-
schaafde taal door de spreekwijzen: dat is
•welvoegelijk, dat is onwelvoegelijk; dat is
betamelijk, dat is onbetamelijk; dit staat
vel, dat staat niet wel; te kennen geeft.
Dus ontstond langzamerhand het begrip van
het welvoegelijke. Datgeen, wat men wel-
voegelijk noemt, is dus voornamelijk op het
schoonheidsgevoel gegrond.
s. 3.;