Boekgegevens
Titel: Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Auteur: Dolz, Johann Christian
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1820
Opmerking: Vert. van : Anstandslehre für die Jugend
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1024 G 33
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205973
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen over de gezellige welvoegelijkheid voor jongelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 104 )
hij van zich zeiven verhaalt, op eene gansch
onwaarschijnlijke wijze. Hij heeft, op zijne
reizen, boomen, die meer dan honderd al
hoog waren, gezien, enz.
Het ligt in den aard der zake, dat deze
dwaasheden, van welke de eene met de an-
dere zeer naauw vermaagdschapt is, zich nie^
door zulke duidelijke merkteekenen laten on-
derscheiden, dat de eene niet met de andere
te verwarren zij. Dit is ook, voor het be-
oogde doel, niet zoo noodig, omdat het er
hier slechts op aankomt in te zien, dat al
de opgemerkte dwaasheden tegen de beschei-
denheid strijden, welk« een noodzakelijk
vereischte voor een welvoegelijk gedrag is.
Opg. i) Waarom kan er, zonder be-
: scheidenheid, geene wellevendheid zijn?
a) Den Flanschen koning hendrik
IV. werd eens een beroemd zanger-voor-
^ ^ gesteld, die in kousen met gaten voor den
monarch verscheen. De koning vraagde
hem, of hij de beroemde zanger was?
w Dat weet ik niet, Sire!" ant^voordde
hij, „ maar dit weet ik, dat ik van mijne
„ stem